Leesmenu 26 januari

Het getijdengebed bid je bij voorkeur op de ‘scharnierpunten’ van de dag. Dus wanneer voor jou de morgen, de middag, de avond of de nacht begint. De Bijbellezingen voor de lectio divina vandaag vind je in Leesmenu 26 januari.

Morgengebed lezing

Keer terug naar Morgengebed

Middaggebed lezing

Keer terug naar Middaggebed

Avondgebed lezing

Keer terug naar Avondgebed

Nachtgebed

Keer terug naar Nachtgebed

Leesmenu 26 januari  – Dagtekst

Een nieuwe farao

6 Na een tijd stierven Jozef en zijn broers, en alle mensen van die generatie. 7 Maar hun nakomelingen kregen veel kinderen. Dat waren de Israëlieten. Er kwamen steeds meer Israëlieten, ze woonden overal in Egypte.

Het volk moet voor de farao werken

8 Toen kwam er in Egypte een nieuwe farao. Die farao wist niets over Jozef. 9 Hij zei tegen de Egyptenaren: ‘Er zijn te veel Israëlieten. En ze zijn sterker dan wij. 10 We moeten verstandig zijn en zorgen dat er niet nog meer Israëlieten bij komen. Want stel dat er oorlog komt. Dan vechten ze misschien met onze vijanden mee, en daarna zouden ze weg kunnen vluchten uit ons land.’
11 Toen moesten de Israëlieten voor de farao gaan werken. Ze moesten twee steden bouwen: Pitom en Raämses. Daar wilde de farao zijn voorraden bewaren. De Israëlieten werden gedwongen om heel hard te werken. En er kwamen bewakers die hen als slaven behandelden.
12 Maar hoe hard de Israëlieten ook moesten werken, er werden toch steeds meer kinderen geboren. Er kwamen zo veel Israëlieten, dat de Egyptenaren een vreselijke hekel aan hen kregen

Morgengebed: Exodus 1:6-12

De tekst in deze uitgave is ontleend aan: Bijbel in Gewone Taal © 2014 Nederlands Bijbelgenootschap. 

Israël wordt groot in Egypte

Het boek Exodus gaat over de uittocht van het volk Israël uit Egypte. Over de aanwezigheid van God die zich aan het volk van hart bekend gaat maken via zijn dienaar Mozes. In de jaren voor Mozes’ geboorte wordt het voor de Israëlieten een hard bestaan onder de toenemende druk van de nieuwe farao. Een farao die Jozef en zijn broers niet heeft gekend. Hij heeft een hekel aan dit vreemde volk in zijn land. Ze groeien in verhouding tot de Egyptenaren veel te hard. Een bedreiging voor zijn macht.

Farao probeert Israël de pas af te snijden

Hij denkt de Israëlieten de baas te kunnen door ze als slaven af te beulen. Ze zullen te moe zijn om kinderen te kunnen krijgen en groot te brengen. Maar niets is minder waar. God is met dit volk. En ook met de vroedvrouwen die de Israelitische vrouwen helpen bij hun bevallingen. Zij zien iets een tipje van Gods almacht en hebben eerbied voor het leven dat Hij geeft. Ze gaan niet op farao’s verzoek om de jongetjes om het leven te brengen. Daarmee begint de ellende pas goed….

©Elise G. Lengkeek

Deel dit bericht via Twitter